Artikels

8. Chen t'ai-ji-quan.

Chen t'ai-ji-quan, is dé, oudste, Oosterse lichaamsbeoefening die ontstond in de negende generatie van de Chen familie. De sport werd ingevoerd door Chen Wang Ting in de jaren 1600 - 1680.

Chen Wang Ting woonde in Wen Xian in de provincie Henan in China. Deze heer hield zich vooral bezig met het aandachtig bestuderen van 'Het boek der veranderingen' en 'de Keizerlijke klassieken'. Hij had eveneens veel inzicht in de toenmalige bewegingsvormen.

Voor het ontwerpen van een nieuwe bewegingsvorm, baseerde hij zich op:

  • de theorie van Yin en Yang, hiervoor bestudeerde hij de wisselwerking van Yin en Yang en het onderscheid tussen alle tegenpolen, zowel abstracte, als concrete, als innerlijke en uiterlijke;
  • de Chinese geneeskunde;
  • de toenmalige bewegingsvormen;
  • de oude Taoïstische oefeningen.

Chen t'ai-ji-quan heeft een geschiedenis van meer dan 300 jaar oud. Sinds het ontstaan ervan heeft het veel principiële veranderingen ondergaan en werd het universeel bekend.

Tegenwoordig zijn er veel verschillende soorten van Chen t'ai-ji-quan in de wereld, denk daarbij maar aan: gshi t'ai-ji-quan, wuxu t'ai-ji-quan, wushi t'ai-ji-quan en sunshi t'ai-ji-quan. Al deze soorten vloeien rechtstreeks of onrechtstreeks voort uit het Chen t'ai-ji-quan.

Op het vlak van de gezondheid, heeft Chen t'ai-ji-quan een invloed op de hersenen. Namelijk deze bewegingsvorm zorgt voor de ontwikkeling van het verstand bij jongeren en het versterken van het geheugen bij ouderen. Dit komt omdat de spiraalvormige bewegingen die gemaakt worden, het lichaam volledig laten ontspannen. Wat op zijn beurt zorgt voor een goede doorstroming van het bloed en de veroorzaking van ziektes door het zenuwstelsel vermijdt.

Het beoefenen van Chen t'ai-ji-quan baseert zich op:

  • de Yin-Yang wisselwerking, zoals eerder vermeldt, van de twee nieren;
  • het draaien van het middenrif;
  • het losmaken van de gewrichten;
  • de cirkelvormige bewegingen van lenden en polsen;
  • de wisselwerking tussen boven - en onderlichaam.

Tegen elke chronische ziekte bestaan medicijnen die daarvoor nog geen genezing garanderen. Maar ziektes aan de bloedvaten, de ingewanden, de zenuwen en het ademhalingsstelsel, kunnen wel met Chen t'ai-ji-quan genezen worden.

Chen t'ai-ji-quan kan door iedereen beoefend worden, zowel door mannen als vrouwen, zowel door jongeren als ouderen, zowel door zwakken als sterken, zowel door groten als kleinen.

Chen t'ai-ji-quan met zijn:

  • zachte en trage bewegingen;
  • natuurlijke uittrekking;
  • kalmerende en geconcentreerde houding;
  • natuurlijke ademhaling; heeft een groot aanpassingsvermogen.

Chen t'ai-ji-quan zorgt immers voor de genezing van zieken. Degene die niet ziek is, kan er enkel gezonder van worden.

Eveneens zorgt de sport voor het tegengaan van de veroudering. Het kan dus iedereen ten goede komen.

Om de bovenvermelde techniek samen te vatten, kunnen we stellen dat Chen t'ai-ji-quan kan gelijk gesteld worden met:

  • het voeden en beschermen van de gezondheid;
  • een genezing voor allerlei kwalen.

Chen t'ai-ji-quan is een onderdeel van de Chinese cultuur en kan zeker aangezien worden als een "schat van de Chinese cultuur".

Al wie in Chen t'ai-ji-quan gelooft, kan door veel te oefenen tot de waardevolle betekenis van de sport komen. En dit niet om deel te nemen aan de bloeiende propaganda maar om een andere een grote bijdrage te leveren.

auteur Sifu Walter Toch

[iCreate Webdesign]